Istanbul – Met Zahide brengt de Staatsopera van Antalya het old school oriëntalisme uit de tijd toen de Oriënt nog een eenvoudige plaats was weer tot leven. Een ijzersterk orkest en enkele uitmuntende aria’s zorgen daarbij voor enkele magische momenten in de zesde opera uit Istanbuls grote operafestival.
Met Zahide speelde Mozart in op een populaire trend die ingezet werd met de vertaling van de vertellingen van Duizend-en-één-nacht in het begin van de 18de eeuw. Verhalen over barbaarse piraten uit moslimlanden die blanke slavinnen meevoerden naar verre harems waren immens populair door hun exotiek, en in veel producties werd dankbaar gebruik gemaakt van de djinns, de vliegende tapijten en de gemene viziers die de verhalen van Duizend-en-één-nacht bevolken.
Door de productie op te voeren aan de toegangspoort van het Topkapipaleis, op een steenworp van de vroegere schatkamers van de sultan en de mysterieuze vertrekken van de harem, lijkt de opera dan ook een milde knipoog te geven naar het schaamteloze oriëntalisme van de tijd. De overdadigheid van de kostuums en de snorren –er gaat niets boven een echte Anatolische snor- gaan daar mooi in mee, en zorgen er allemaal samen voor dat het hele stuk in de overdadige sfeer van het genre baadt. Op enkele dingen na blijft het decor eenvoudig, maar met het Topkapipaleis op de achtergrond hoeft er op dat gebied dan ook niet zoveel moeite gedaan te worden.
Het verhaal heeft weinig om handen: Zahide wordt verliefd op Gomatz, een slaaf van sultan Suleyman. De sultan, die zelf verliefd is op Zahide, laat hen daarop allebei opsluiten. Allazim, de raadgever van de sultan, probeert Sulayman ervan te overtuigen hen te laten gaan, maar of hij daarin slaagt liet Mozart in het midden. De opera werd nooit afgewerkt omdat hij aan Idomeneo begon, en pas veel later naar het genre terugkeerde met Die Entführung aus dem Serail. Om van het verhaal toch een afgerond geheel te maken werd het verder aangevuld, maar spijtig genoeg op een pijnlijk gekunstelde manier: de sultan geeft Zahide op en zij en Gomatz trouwen. Op zich doet dat weinig afbreuk aan het werk aangezien de nadruk eerder op de muziek en tekst ligt dan op het –eerder flauwe dus- verhaal, maar het had toch beter gekund.
Het is dan ook met de muziek dat deze productie uitblinkt: De eerste aria, “Herr und Freund, wie dank ich dir!“, wordt met overgave gebracht door Devrim Demirel, die de rol van Gomatz op zich neemt. Zijn krachtige tenorstem trekt het stuk op gang en dankzij enkele uitstekende vertolkingen van zijn collega’s komt het nooit tot stilstand. Göksay Yaran, die sultan Sulayman speelt, weet met zijn stem sterke emoties op te roepen, en in tegenstelling tot veel andere uitvoeringen vervalt zijn karakter niet tot een typetje. Op het moment dat hij beseft dat Zahide van Gomatz houdt hoor je zijn hart echt breken, en zijn toorn daarna –als het vluchtende koppel gevangen wordt- is verschrikkelijk om te horen.
Zahide zelf -een glansrol voor Aslı Ayan- brengt de wellicht meest bekende aria uit het stuk (“Ruhe sanft, mein holdes Leben”) op een meer dan behoorlijke manier, en laat even later merken hoe krachtig haar stem wel niet is als haar microfoon uitvalt. Zonder uit haar rol te vallen blijft ze verder zingen. Indrukwekkend! Toch blijven de hoogtepunten van de hele opera de lach-aria van Osman (Şafak Güç) en de baspartij van Allazim (Cengiz Sayın). Şafak Güç heeft het perfecte timbre voor dit stuk, en zijn opvallend dynamische acteerwerk zorgt er voor dat de enkele kleine fouten die hij maakt meteen vergeten worden.
Een van de weinige minpunten aan deze productie is de afwezigheid van ondertitels of programmaboekjes, maar met een goede uitspraak zorgt de -volledig Turkse- cast ervoor dat het Duits toch verstaanbaar is.
Copyright foto: Nadia Bolfosu
